Schurende doelen in de openbare ruimte

Op de Vakbeurs Openbare Ruimte 2026 in Utrecht wilde iedereen hetzelfde: plekken die inclusief, groen, duurzaam, veilig en levendig zijn. Maar die doelen schuren, met elkaar en met de regels die ze moeten waarborgen. Wie alleen de regels volgt, kan een plek ontwerpen die op papier klopt en in het echt niet werkt. Er is immers geen norm voor gebruiksvriendelijkheid in de openbare ruimte.

Oscar van Beek

Shared space

In een land met weinig ruimte moeten we zuinig zijn op de ruimte die we hebben. Verkeerskundige Hans Monderman bedacht daarvoor shared space: een ruimte zonder borden, verkeerslichten en stoepranden, waar functies en gebruikers samenkomen. Omdat iedereen onderling moet afstemmen, wordt iedereen voorzichtiger. En met succes: op kruispunt De Kaden in Drachten daalde het aantal aanrijdingen van 30 in zeven jaar naar vier in twee jaar.

Een goed voorbeeld van shared space in Winsum, waar scholen, kinderopvang, een verpleeghuis en sport samenkomen rond een open schoolplein. Doordat de plek meerdere functies heeft, komen verschillende doelgroepen vanzelf met elkaar in aanraking.

Een shared space vraagt echter veel van de gebruiker. Door het ontbreken van regels en richtlijnen is de ruimte moeilijker te lezen. Voor veel mensen, onder wie blinden en slechtzienden, ouderen die het niet gewend zijn of mensen met dementie, is het lastig het gedrag van anderen in te schatten. Hoe gaan we om met doelen die zo met elkaar botsen?

Potentie van de tussenfase

Plekken in ontwikkeling kennen vaak een periode waarin de ruimte niet of nauwelijks wordt gebruikt. Met andere ogen is een braakliggend terrein een enorme zandbak, of een plek voor het buurtfeest. Door zulke plekken open te stellen voegen we meteen waarde toe. Voor ontwerpers is het bovendien een kans om laagdrempelig te prototypen en bewoners vroeg te betrekken.

Maar ook hier schuurt het: gras, zand en losse ondergrond zijn niet toegankelijk voor iemand in een rolstoel of met een andere beperking. Sluiten we die mensen dan uit? En is dat een reden om de ruimte helemaal niet open te stellen?

In de sessie van Marjanne Steenhuis en Dianne Scholte van het Kenniscentrum Sport & Bewegen kwam een mooi voorbeeld voorbij: een bord bij een plek die tijdelijk is opengesteld voor bewoners. Het initiatief is precies wat veel bewoners graag willen, een plek in de buurt die ze nu al kunnen gebruiken. Maar het bord zelf laat zien hoe makkelijk het daarna misgaat. Hier voelt de uitnodiging al snel als een waarschuwing. Ook in de communicatie over een plek zit dus gebruiksvriendelijkheid, of het gebrek eraan.

Onveiligheid op de fiets

De dood van Lisa, een 17-jarig meisje dat vorig jaar vanuit Amsterdam naar huis fietste over een als donker en onveilig bekendstaande route, leidde tot een breed gesprek over de veiligheid van vrouwen. Dat gesprek was op de beurs voelbaar. Het antwoord van veel gemeenten is de normen nog strikter volgen. In de praktijk betekent dat vaak: meer licht.

Toch is meer licht niet automatisch veiliger. Wie in een onderdoorgang strikt de luxnorm volgt, krijgt vaak felle lampen recht van boven. Dan is de vloer goed verlicht, maar blijven er donkere hoeken, heb je weinig overzicht en krijg je een harde overgang van licht naar donker waar je ogen aan moeten wennen. Mensen hebben juist overzicht, gezichtsherkenning en gelijkmatig licht nodig. Het bewijst maar weer dat regels alleen geen veiligheid garanderen: je kunt aan de norm voldoen en toch een onveilige plek ontwerpen.

Hetzelfde zie je bij een regenboogzebrapad. Het is een sympathiek en zichtbaar signaal van inclusie, maar wie het vanuit verschillende gebruikers bekijkt ziet ook de keerzijde. Iemand met dementie herkent de kleurrijke strepen misschien niet als oversteekplaats. En voor slechtzienden en kleurenblinden is het contrast minder duidelijk dan bij een klassiek zwart-wit zebrapad. Een gebaar van inclusie kan zo voor sommige groepen juist uitsluitend werken.

Een norm voor gebruiksvriendelijkheid

De publieke ruimte is dus extreem complex, en elk goed doel heeft zijn prijs. De normen die er zijn geven richting, maar laten ook zien wat nog niet genormeerd is. We hebben goeie normen voor toegankelijkheid in de openbare ruimte, maar dit is niet hetzelfde als gebruiksvriendelijkheid. Toegankelijkheid gaat erover of je een plek kunt bereiken en gebruiken. Gebruiksvriendelijkheid gaat erover of je die plek begrijpt, je er prettig voelt en weet wat er van je verwacht wordt.

Bij Fabrique onderzoeken we hoe kinderen, ouderen, mensen met een beperking en vrouwen die 's nachts naar huis fietsen een plek beleven. Juist waar doelen en regels schuren, maakt dat het verschil. We ontwerpen vanuit de gebruiker, zonder het grotere systeem uit het oog te verliezen. Hierdoor zorgen we dat een gebruiker de ruimte begrijpt, zijn weg vindt en hier graag terugkomt.